“Laat het barbaarse Memphis niet longer over de piramiden spreken, noch de Assyrier pochen over Babylon, laat noch de zachte loniers geprezen worden voor de tempel van Artemis, laat het veelhoornige altaar zwijgen over Delos; laat de Cariers niet buitensporig het Mausoleum prijzen, dat in de lege lucht zweeft. Alle inspanningen leiden tot het amfitheater van Caesar. Faam zal verhalen over een werk in plaats van vele.”

MARTIALIS, EERSTE EEUW NA CHR.

Colosseum in Rome

Colosseum in Rome

Deze woorden schreef de dichter Martialis voor de opening van het Amphitheatrum Flavi­urn in 80 na Chr., maar het gebouw werd onder een andere naam, het Colosseum, in de Middeleeuwen het symbool van de macht en duurzaamheid van het heiden­se Rome. Vandaag de dag denken we meestal alleen maar aan de bloedige gevechten met wilde dieren en gladiatoren die bier werden gehouden, maar Martialis herinnert ons eraan dat het gebouw in die dagen net zo beroemd was om zijn buitengewone constructie en zich kon meten met de Zeven Wereldwonderen. Er was nog nooit eerder zo’n groot gebouw in Rome verrezen, en zelfs in de vierde eeuw, toen de stad was verrijkt met keizerlijke thermen en tempels als het Pantheon, bleef het Colosseum een van de grote bezienswaardigheden.

Keizer Vespasianus was rond 70 na Chr. begonnen met de bouw van het Colosseum, dat grotendeels werd voltooid door zijn zoon Titus. De ondergrondse gebou­wen werden afgemaakt door de laatste Flaviaanse keizer, Domitianus. Het eerste permanente amfi­theater van Rome, de Campus Martius, was in 64 na Chr. bij de grote brand verwoest. Keizer Nero had er een houten gebouw voor in de plaats gezet en verder zijn aandacht weer gewijd aan zijn eigen enorme nieuwe paleis-annex-villa, het Gouden Huis. Nadat Nero zelfmoord had gepleegd, kwam Vespasianus aan de macht. Hij maakte onmiddellijk een slim en politiek gezien briljant gebaar: hij liet het amfitheater, de nieuwe plek voor volksvermaak, in de tuinen van Nero’s eigen Gouden Huis bouwen. Bovendien liet hij niet de burgers hiervoor bloeden, maar betaalde hij de bouw van de oorlogsbuit.

Colosseum van binnen

Colosseum van binnen

Het gebouw, Colosseum

Impressie Colosseum

Impressie Colosseum

Hoewel het ontwerp van het Colosseum was gebaseerd op oudere Romeinse (amfi)theaters was het eindresul­taat veel spectaculairder. De immens hoge gevel was verdeeld in vier horizontale rijen. De onderste drie bestonden uit recht boven elkaar geplaatste bogen, tachtig in totaal, geflankeerd door halve zuilen in Dori­sche, Ionische en Corinthische stijl. Hierboven beyond zich een gemetselde verdieping die was versierd met Corinthische pilasters. De bogen weerspiegelen de indeling van het theater: via haaks op de gevel staande trappen en ringvormige gangen konden de zitplaatsen rond de ovale arena worden bereikt. Het publiek, dat kon varieren van 50.000 tot 73.000 mensen, moest buiten het gebouw wachten op een door paaltjes omgeven terrein. Ze hadden kaartjes voor een van de 76 genummerde bogen op de begane grond. Via de op hun kaartje genoemde boog kwamen ze het snelst en gemakkelijkst bij hun zitplaats. De vakken met zit­plaatsen lagen in drie trapsgewijs oplopende rijen op betonnen gewelven. Helemaal bovenaan waren houten tribunes. De arena werd begrensd door een houten hek en een hoog podium met marmeren stoelen voor amb­tenaren. Er waren speciale loges voor de keizer en magi­straten, die ook hun eigen ingang hadden.

Collosseum doorsnede

Collosseum doorsnede

Het Colosseum werd gebouwd op de plek van de vroegere tuinvijver van het Gouden Huis van Nero. De stenen en betonnen fundering was gemiddeld 13 m (44 Romeinse voet) dik en rustte op een massieve wal van klei. De gevel, de buitenste galerijen en sommige penanten op de begane grond en op de eerste verdieping waren van travertijn, een sterke harde kalksteen van vulkanische oorsprong. Een groot deel van de naar het midden lopende dwarsmuren was van het zachtere, lichtere en eveneens vulkanische tufsteen. De boven­ste verdiepingen en de gewelven waren van beton.

Voor het Colosseum was de ongekende hoeveelheid van 100.000 m3 travertijn nodig. In het oude Rome was er nog nooit zoveel voor een gebouw gebruikt, en ook daarna is dat nooit meer voorgekomen. Het had de nodige consequenties voor de werkomstandigheden in de groeven, die 20 km ten oosten van Rome lagen. Ook het vervoer naar de bouwplaats moet enorme logistieke problemen hebben opgeleverd. De 240.000 ton traver­tijn moest per praam over de Aniene en de Tiber naar Rome worden vervoerd. Daar werd het overgeladen op ossenkarren en naar de bouwplaats gereden, die min­stens 1,5 km van de losplaats lag. De bouw duurde acht jaar, wat betekent dat er, uitgaande van een twaalfurigewerkdag, gedurende 300 dagen per jaar elke 7 minuten een kar met een ton travertijn de kaden van de Tiber moet hebben verlaten. Voor de grotere stukken waren karren met meerdere spannen nodig die veel langzamer en moeilijker te manoeuvreren waren. Karren met bouwmateriaal dat was bestemd voor openbare gebou­wen behoorden tot de weinige voertuigen die overdag de stad in mochten. De gestage stroom zwaar beladen karren die de drukste straten van Rome doorkruiste, moet de bewoners regelmatig hebben gestoord, maar herinnerde ook voortdurend aan het gebouw dat aan het verrijzen was.

Het gebruik van natuursteen bij zo’n grote onderne­ming had ook consequenties voor het bouwproces. Tra­vertijn is een relatief harde steensoort die onder alle omstandigheden met de nodige voorzichtigheid moet worden behandeld; de stenen werden dus bijna nergens bewerkt, met uitzondering van zichtbare plaatsen als de gevel, en er werd ook niet geprobeerd om alle lagen even hoog te maken. De horizontale oppervlakken werden daarentegen wel zorgvuldig geëgaliseerd, omdat dit de stabiliteit van het gebouw ten goede kwam. De verbindingen werden versterkt met 300 ton in lood gezette ijzeren trekstangen.

De moeilijkheden waren hiermee nog niet ten einde. De stukken steen moesten ook nog eens tot grote hoogte worden opgetakeld en op hun plaats worden gelegd. Voor het beton waren relatief lichte steigers voor de werklieden en kleine hoeveelheden materiaal voldoende, maar de blokken natuursteen moesten met een kraan worden opgehesen naar stevigere platforms, en ook de kranen zelf moesten stevig verankerd zijn. Er was mankracht nodig om te tillen en om de blokken tijdens het takelen recht te houden en op hun plaats te zetten. Het is dan ook geen wonder dat de hoeveelheid gebruikt travertijn afneemt naarmate het gebouw in hoogte toeneemt. Bij de vierde laag is alleen de voorge­vel nog van travertijn.

Men heeft ooit aangenomen dat het gebouw eerst werd neergezet als een skelet van travertijn dat een reeks oplopende bogen ondersteunde, zodat er tegelij­kertijd op verschillende niveaus kon worden gewerkt. Het is echter moeilijk voor te stellen hoe een 25 m hoge muur van travertijn — de twee bovenste rijen van de gevel — kon worden opgericht zonder de steun van de dwarswanden en de gewelven. In een dergelijk geval konden de gewelven ook geen basis hebben gevormd om kranen en andere zwaar gereedschap neer te zetten. Het lijkt waarschijnlijker dat het hele gebouw laag voor laag verrees, en dat de travertijnen penanten op plaat­sen werden gezet waar er bijzonder veel druk op het gebouw werd uitgeoefend.

Het vermaak in het Colosseum

Het amfitheater werd ingewijd met uitbundige spelen die honderd dagen duurden. Martialis, die de beste beschrijving van deze spelen heeft gegeven, roemde de spectaculaire ‘speciale effecten’. De houten vloer van de arena bedekte een complete ondergrondse wereld. Dankzij een systeem van smalle gangen, kooien en lif ten, die werden bediend met contragewichten, konden maximaal 64 wilde dieren tegelijkertijd in de arena worden losgelaten. Met andere machines kon een decor met bergen en landschappen te voor­schijn worden getoverd en weer weggehaald, zodat elke slachting tegen een andere ach­tergrond kon plaatsvinden.

Een van de aangenaamste voorzieningen van de arena, het velarium, was te vinden op de bovenste ver­diepingen. Deze grote luifel moest de toeschouwers tegen weersinvloeden beschermen. Tussen de pilasters hingen grote, uitstekende kraagstenen, drie per vak. Direct boven elke kraagsteen zaten vierkante, verticale gaten in de kroonlijst. Hierin zaten mogelijk de 240 masten die het raamwerk voor de luifel ondersteunden. Het is niet helemaal duidelijk hoe dit werkte, al vormt het feit dat 1000 zeelieden van de Romeinse vloot uit de Baai van Napels speciaal voor het oprichten van de luifel naar Rome werden gestuurd, wel een aanwijzing. Volgens een theorie waren de masten met touwen ver­bonden aan een ovale ring in de arena en aan lieren die buiten het gebouw aan de paaltjes waren vastgemaakt. De touwen werden met behulp van de lieren strak getrokken, de ring kwam omhoog en de luifels werden uitgerold over het netwerk van touwen. Anderen denken dat de masten horizontale of schuine palen ondersteunden die over de zetels in de arena liepen, en dat de luifels tussen deze palen werden gespannen. Welk systeem er ook is gebruikt, alleen al door de omvang van het Colosseum moet het velarium een bij­zondere voorziening zijn geweest, even groots als het gebouw zelf. Het velarium is helaas allang verdwenen. Aileen het ongenaakbare travertijn en het betonnen omhulsel zijn gebleven, als een permanent symbool van de Eeuwige Stad.