Chinese Muur

Chinese Muur

Er bestaan talloze legenden over de ‘muur van tienduizend li’, zoals de Chinezen de Chinese muur noemen. De muur, waarvan (ten on­rechte ) wordt beweerd dat hij het enige door mensen­handen gemaakte voorwerp is dat vanaf de maan te zien is, roept het beeld op van een uitgestrekt, mysterieus en gesloten China.

Een dergelijk groot bouwwerk is in de wereldgeschiedenis ongekend. De muur strekt zich over een lengte van 2700 km uit van Shanhaiguan in Hopei aan de oostkust tot Jiuguan in Kansu in het westen. De werkelijke lengte is minstens twee keer zo lang, omdat de muur bij passen en andere strategische plekken in lussen loopt die twee, drie of vier keer been en weer lopen. Met oudere delen meegerekend is de muur in totaal bijna 10.000 km lang; meer dan 20 procent van de omtrek van de aarde. Er zijn bijna 20.000 muurtorens en 10.000 losse wacht- en seintorens over­gebleven. Met alle stenen die in de muur zitten, zou een muur van 1 m dik en 5 m hoog kunnen worden gebouwd die tien keer de aarde zou omspannen.

Wat de Chinese muur wordt genoemd, is in werke­lijkheid een verzameling van vele lange muren die in verschillende perioden uit de Chinese geschiedenis zijn gebouwd. De muur was vanaf het begin meer dan alleen maar een verdedigingswerk: het was de grens met de beschaafde wereld. Het Chinese karakter voor muur is hetzelfde als dat voor stad; een muur gaf een bestuur­lijke eenheid aan, die de georganiseerde Chinese wereld van landbouwers scheidde van de wanordelijke bar­baarse nomaden van de steppe. ‘Binnen de muur’ bete­kende dus in de vertrouwde, beschaafde wereld.

Geschiedenis van de Chinese Muur

Toen de eerste keizer China in 221 v. Chr. tot een eenheid smeedde, gaf hij generaal Meng Jian opdracht een aantal oudere muren, gebouwd door de landen die hij had veroverd, met elkaar te verbinden en uit te breiden, zodat er een doorlopende barriere ontstond tegen de plunderende stammen langs de grenzen in het noorden en noordwesten. In legenden en gedichten werden de ontberingen en doden vastgelegd die de bouw van deze eerste Chinese muur kostte. Er werden meer dan 300.000 man te werk gesteld, waaronder sol­daten, boeren, in ongenade gevallen officieren, gevan­genen en wetenschappers die hadden geweigerd het bevel op te volgen om de klassieken te verbranden. Er werd gewerkt in bergen en woestijnen, in extreme hitte en kou, zonder voldoende voedsel of fatsoenlijke onder­komens — er wordt beweerd dat voor elke meter van de muur een man is gestorven. Sinds die tijd is de muur het symbool van de kracht van China en zijn houding ten opzichte van de nomadische buren. In tijden van vreed­zame co-existentie werd de muur verwaarloosd en raakte hij in verval; wanneer de buurstaten sterk en vij­andig waren, werd hij herbouwd als een verdediging tegen de steppenvolkeren op hun snelle paarden. Tijdens de Han-dynastie (221 v. Chr-220 na Chr.) werd de muur langer gemaakt dan hij ooit was geweest, met een lus naar het meer Lop Nor in het westen. Dit stuk moest de Hexi-corridor in Kansu beschermen, de poort naar de Zijderoute door Centraal-Azie. Veel latere muren werden gebouwd door niet-Chinese volkeren, die Noord-China hadden bezet en zichzelf wilden beschermen tegen nieuwe aanvallers.

De muur van Ming

Het grootste deel van de muur die wij kennen, werd gebouwd tijdens de Ming-dynastie (1368-1644 na Chr.). Hij slingert zich tussen de bergtoppen door, is bij de voet 6 m breed en tussen de 6 en 8,7 m hoog. De weg over de verdedigingswallen werd geplaveid met vier lagen baksteen en heeft aan de buitenkant hoge kante­len en aan de binnenkant een borstwering. Hij is zo breed dat vijf paarden bier naast elkaar kunnen lopen. Passen en dalen werden beschermd door extra muren. Om de 70 m staan wachttorens, die kunnen worden bereikt via stenen trappen. Op sommige plaatsen zijn hellingbanen, zodat ook paarden naar boven kunnen lopen. Omwille van snelle communicatie werden langs de muur 10.000 seintorens neergezet: boodschappen werden overdag via rooksignalen en ‘s nacht via vuren doorgeseind. In de zevende eeuw gold de regel dat signa­len binnen 24 uur over 1064 km moesten kunnen worden doorgeseind. Speciale signalen gaven de omvang van de naderende troepen aan.

De bouw van de Chinese Muur

De vroegste muren werden gebouwd van plaatselijk materiaal, waarbij de ‘aangestampte-aarde-techniek’ werd gebruikt, toegepast bij alle Chinese gebouwen. Aan weerszijden van de muur werden planken neerge­zet, vervolgens werden lagen aarde in de omheinde ruimte gestort, die stevig werden aangestampt. Gemid­deld waren de planken 4 m lang en lag er zo’n 80 m’ aarde in lagen van 8-10 cm tussen, maar er zijn ook lagen tussen 3 en 20 cm dik aangetroffen. Soms werden er tussen de aarde lagen riet gedaan, wat het uitharden moest versnellen.

In de Gobi-woestijn en in de steppen werd de muur van plaatselijke planten gemaakt. 15 cm dikke lagen varenbladeren of rietstengels werden afgewisseld met dunnere lagen kiezelstenen en plaatselijke grondsoor­ten. In het Tarim-bekken werden de torens gemaakt van grote bossen rijshout en stammen van wilde popu­lieren, met ertussen lagen aangestampte klei. Bij alle constructies werden de lagen eerst goed aangestampt voordat de volgende werd gestort.

Dat dergelijke boiuwsels duurzaam waren, blijkt wel uit het feit dat sommige delen van de muur uit 656 v. Chr. stammen. In het noordoosten van China staan nog steeds delen van de muur uit de Tj’in-tijd overeind, die 3 m hoog en onderaan 4,2 m en bovenaan 2,5 m breed zijn. Ze zijn gemaakt van lagen gele klei, gemengd met kleine hoeveelheden puin en aangestampt met kleine stampers. In Kansu staan nog muren van 4 m hoog uit de Han-tijd. Uit dezelfde periode dateert een groot fort bij Yumenguan, Dunhuang, dat muren heeft van gestampte aarde en dunne lagen kiezelstenen, die elke 15 cm worden onderbroken door kriskras gelegde lagen riet. Alles verkeert nog in goede staat. De muren van het fort zijn op de hoeken om en om met elkaar verbon­den, en de bovenkanten van de vierkante torens lopen taps toe, zodat de muren niet in zouden storten. Hier staan nog meer dan 100 seintorens van aangestampte aarde of platte adobe-stenen — in de zon gedroogde leem­stenen van 38 x 25 x 9 cm. De torens staan om de 1,6-2,5 km aan beide zijden van de muur. Ze meten aan de voet 17 bij 17 m, zijn 25 m hoog en lopen duidelijk taps toe. Op de muren zijn sporen van steigers to zien.

Tijdens de Ming-dynastie vonden de laatste uitbrei­dingen plaats. De bouwers uit deze periode maakten gebruik van nieuwe methoden. De westelijke helft van de Chinese muur was in traditionele stijl gebouwd, maar de oostelijke helft, die Peking moest beschermen tegen aanvallen uit Mongolie en Mantsjoerije, bestond uit (bak)steen met een vulling van aangestampte aarde en puin. Forten zoals dat bij Shanhaiguan aan de kust, waren net kleine steden met bunkers, die bij oorlog als geheime schuilplaatsen dienden. Ze hadden een ophaal­brug, oefenterreinen voor soldaten, militaire opslag­plaatsen en een omheind terrein voor graan en dieren.

Het kostte veel tijd en geld om dergelijke constructies te bouwen. Een man kon met een houten spade, een bamboe mandje om aarde te vervoeren en opnieuw te gebruiken planken en stampers, in een maand 5,5 m muur bouwen, maar er waren 100 man nodig om dezelfde lengte in steen of baksteen aan te leggen, ook al omdat er dan vaklieden nodig waren die met baksteen, hout en Steen konden werken. Het winnen en vervoe­ren van de stenen kostte veel tijd en mankracht. Rivier­beddingen en greppels werden geplaveid, zodat erop kon worden gewerkt. Stenen platen van wel 2 m lang en een ton zwaar werden met katrollen en lieren omhoog getakeld. Indien mogelijk werden er hellingbanen gebruikt, maar waar het terrein te steil was moesten de arbeiders het doen met katrollen en takels. Soms wer­den de stukken steen ook gewoon door honderden mannen omhoog getrokken. Hetzelfde systeem werd gebruikt voor de monumentale granieten platen van 50 m lang en 10 m breed die de voet vormen van de muur in Shanhaiguan.

De bakstenen bekleding was soms wel zeven of acht lagen dik. De bakstenen werden in kleine ovens naast de muur gebakken; in 1991 is een oven opgegraven die nog intact was en waarin stenen van 41 x 20 x 10 cm gebakken konden worden. Er is uitgerekend dat per meter muur 22 van zulke ovens nodig waren. De kwali­teit werd scherp in de gaten gehouden: verslagen uit de vijfde eeuw melden dat een arbeider werd gedood en in de muur begraven als de opzichter zijn priem 2,5 cm diep in een baksteen kon steken. In Jiuguan is een steen met een inscriptie uit de Ming-tijd aangetroffen, die het jaar (1540 / en de-naam van de opzichter vermeldt. Ook blijkt dat de bier uitgevoerde herstelwerkzaamheden, waarbij de hoogte van de muur tot 9 m werd verdubbeld door nieuwe lagen baksteen op de aangestampte aarde te leggen, pas na honderd jaar waren afgerond.